advies & ingenieursbureau

Faunatunnels, niet altijd ‘hoe groter hoe beter’

Dassen gebruiken liever faunatunnels met een diameter tussen 30 en 40 centimeter, dan tunnels met een grotere diameter. Dat ontdekte de vijfdejaars student biologie aan de Wageningen Universiteit Wessel Nieuwland. Hij trok deze conclusie na statistisch onderzoek van grote hoeveelheden gegevens over het gebruik van faunapassage in Gelderland.

Onder andere Ecogroen onderzocht tussen 2007 en 2016 het gebruik van 126 Gelderse faunapassages in opdracht van de provincie Gelderland. Wessel startte met het opzetten van een enorme database met deze gegevens. De gegevens blijken een schat aan informatie te bevatten over het functioneren van verschillende faunapassages en de invloed van het type en de afmetingen op verschillende diersoorten.

Effect breedte, hoogte, lengte en openheid

Met het statistische programma R onderzocht Wessel het effect van verschillende parameters zoals diameter, lengte en openheid (zie kader) op het gebruik van faunapassages door das, vos en marterachtigen. Hij ontdekte dat de meeste marterachtigen aan de algemeen geaccepteerde verwachting beantwoorden: hoe meer openheid hoe meer marters de passage gebruiken. Das vormt echter een uitzondering binnen de marterfamilie. Opvallend is dat niet de lengte en openheid, maar juist de diameter van invloed is op het gebruik door das. Wessel vond voor das een optimaal gebruik bij een opening tussen 30 en 40 centimeter. Het gebruik door das neemt af naarmate de diameter van de tunnel toeneemt, terwijl openheid en lengte geen invloed blijken te hebben.

Openheid is de verhouding tussen de breedte maal hoogte van een faunapassage gedeeld door de lengte. Openheid speelt een belangrijke rol in de functionaliteit van faunapassages. Voorkeur voor een bepaalde openheid is soortspecifiek. In dit onderzoek zijn faunapassages betrokken met een openheid tussen 0,001 (amfibietunnel: ø:0,30m, l:60m ) en 0,09 (kleine faunatunnel: b: 1m, h: 0,9m, l: 10m). De gemiddelde openheid van de betrokken faunapassages betreft 0,02.

Discussie

Voor kleine faunapassages passen gemeentelijke en provinciale wegbeheerders vaak standaard ‘dassentunnels’ toe met diameters van 30 of 40 centimeter. Soms kijkt men specifieker naar doelsoorten en worden de vuistregels uit Leidraad faunavoorzieningen bij infrastructuur van Rijkswaterstaat en ProRail gebruikt. Deze vuistregels zijn op basis van expert jugdement bepaald en veelal niet op basis van onderzoek naar randvoorwaarden van soorten. Voor das bevestigde Wessel Nieuwland met zijn onderzoek dat tunnels van 30 á 40 centimeter optimaal zijn voor das.

De minimale randvoorwaarden voor andere soorten blijven nog ongewis. Voor de soorten haas, egel en konijn lijkt openheid de beperkende factor, maar het optimum is niet vastgesteld omdat geen grotere passages dan 1m breed in het onderzoek zijn meegenomen. De maximale score voor openheid is in dit onderzoek 0,09. Dat de soorten de maximale score niet halen, komt omdat de betrokken faunapassage met de grootste openheid niet voor alle dieren beschikbaar is genoegen moeten nemen met een passage met minder openheid. Wel ligt de openheid van haas, egel en konijn ruim boven de gemiddelde openheid van de betrokken faunapassages.

De database, het onderzoek van Wessel en vervolganalyses van Pascal geven aanleiding en aanknopingspunten voor vervolgonderzoek. De database en het script liggen al klaar. Ontwerp en realisatie van toekomstige kleine faunapassages zijn dan nog beter op de doelsoorten af te stemmen.